070202 Bijkomende uren tijdens de zomer of een periode van intense activiteit (KB nr. 213)

Paritair (sub-)Comité nr.:
124.00.00-00.00

Bijwerking: 28/04/2015
Geldig vanaf: 27/04/2015
Geldig tot: 19/01/2022

Voor alle arbeiders van de bouwsector mogen de arbeidsprestaties op 9 uur per dag worden gebracht en op 45 uur per week tijdens de zomerperiode of in periodes van intense activiteit. Het totaal van die overschrijdingen mag niet meer dan 180 uur per kalenderjaar bedragen.

Van die 180 bijkomende uren mogen er maximaal 96 uur op zaterdag worden gebruikt in sommige omstandigheden.

Overuren en sectorale bijkomende uren genieten een gunstig fiscaal regime.

Artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het Paritaire Comité voor het bouwbedrijf ressorteren (Belgisch Staatsblad van 7 oktober 1983) en hoofdstuk 3 van de CAO van 22 december 2005 in verband met de arbeidstijdorganisatie voorzien de mogelijkheid om bijkomende uren te presteren in de zomer of een periode van intense activiteit.

Wij geven U hierna de tekst van de commentaar die gepubliceerd werd door de Nationale Confederatie van het Bouwbedrijf in haar Omzendbrief nr. 23 van 25 augustus 2011.

Typedocumenten:

Omzendbrief nr. 23 van 25 augustus 2011

1. Principe

Voor alle arbeiders van de bouwsector (PC nr. 124) mogen de arbeidsprestaties op 9 uur per dag worden gebracht en op 45 uur per week tijdens de zomerperiode of in periodes van intense activiteit. Sinds 20 mei 2010, mag het totaal van die overschrijdingen niet meer dan 180 uur per kalenderjaar bedragen.

De overschrijding van de arbeidsduur is toegelaten:

  • tijdens de zomerperiode: bij gebrek aan een definitie in het KB nr. 213, krijgt de uitdrukking "zomerperiode" haar gewone betekenis, nl.  de periode zoals vastgesteld bij de invoering van de zomertijd: van het laatste weekend van maart tot het laatste weekend van oktober;
  • tijdens een periode van intense activiteit: de uitdrukking "periode van intense activiteit" wordt ook niet door KB nr. 213 gedefinieerd. Ook deze uitdrukking moet genomen worden in haar normale betekenis: het is de activiteit die in een periode van normale arbeid, overuren tot gevolg zou hebben.

Van die 180 bijkomende uren mogen er maximaal 96 uur op zaterdag worden gebruikt in de volgende omstandigheden:

  • de werken kunnen op geen enkel ander ogenblik uitgevoerd worden;
  • de gelijktijdige uitvoering van bouwactiviteiten en andere activiteiten op dezelfde plaats houdt risico's in voor de veiligheid en/of gezondheid van de werknemers of derden;
  • de werken zijn om technische redenen niet combineerbaar met andere activiteiten.

Wanneer het maximum van 180 bijkomende uren per jaar (van 1 januari tot 31 december) wordt bereikt, kan de teller niet worden verlaagd door recuperaties toe te staan. Er is dus een krediet van 180 uur dat wordt opgebruikt naarmate de bijkomende uren worden gepresteerd.

Deze arbeidsregeling mag niet worden gebruikt om 's nachts, op zondag of op feestdagen prestaties te verrichten.

2. Beslissing om het stelsel toe te passen

2.1. Tussenplafond van 130 uur op jaarbasis

Ondernemingen met een vakbondsafvaardiging

Bestaat er een vakbondsafvaardiging in de onderneming, dan is het voorafgaand akkoord van de meerderheid van de leden van deze vakbondsafvaardiging vereist. De afvaardiging beschikt over een termijn van 30 dagen om zich uit te spreken over de invoering van deze arbeidsregeling. Komt er geen reactie binnen deze termijn, dan mag de werkgever de regeling toepassen. In geval van een reactie en indien binnen deze termijn geen akkoord wordt bereikt, vraagt de werkgever de tussenkomst van het verzoeningsbureau van het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf. Deze aanvraag zal worden ingediend via een organisatie die lid is van het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf. Het verzoeningsbureau dient een uitspraak te doen binnen 30 dagen nadat de aanvraag is aangekomen bij de Voorzitter van het Paritair Comité.

Ondernemingen zonder vakbondsafvaardiging

In een onderneming zonder vakbondsafvaardiging wordt de beslissing tot de overschrijding van de arbeidsduur genomen op initiatief en onder de verantwoordelijkheid van de werkgever. Wel dient de werkgever de voorzitter van het Paritair Comité daaromtrent te informeren.

2.2. Plafond van 180 uur op jaarbasis

Ondernemingen met een vakbondsafvaardiging

Om het tussenplafond van 130 uur tot het plafond van 180 uur te brengen, is het akkoord van de meerderheid van de vakbondsafvaardiging vereist. De procedure hiervoor is identiek (zie hierboven: punt 2.1.).

Ondernemingen zonder vakbondsafvaardiging

In een onderneming zonder vakbondsafvaardiging ondertekent de werkgever een protocol van toetreding tot de regeling met minstens één arbeider.

Dit protocol moet worden medeondertekend door de gewestelijke vakbondssecretarissen indien aanwezig in het gewest (hun handtekening wordt rechtstreeks of na tussenkomst van de lokale beroepsorganisatie bekomen). Zij hebben 14 dagen de tijd om het protocol te ondertekenen of om hun weigering kenbaar te maken. Bij weigering zal er door overleg op het plaatselijke niveau getracht worden een verzoening te bereiken. Nadat alle beroepsmogelijkheden bij het plaatselijke overleg uitgeput zijn, mag de meest gerede partij het geschil voorleggen aan het verzoeningsbureau van het Paritair Comité.

Het protocol van toetreding van deze regeling is geldig voor de duur van één jaar en wordt behoudend protest stilzwijgend hernieuwd.                                                                                                                            

2.3. Gebruik van 96 bijkomende uren op zaterdag

Ondernemingen met een vakbondsafvaardiging

Om de bijkomende uren op zaterdag in de bouw te kunnen gebruiken, is het akkoord van de meerderheid van de vakbondsafvaardiging vereist. De procedure hiervoor is identiek (zie hierboven: punt 2.1.).

Ondernemingen zonder vakbondsafvaardiging

In een onderneming zonder vakbondsafvaardiging ondertekent de werkgever een protocol van toetreding tot de regeling met minstens één arbeider.

Dit protocol moet worden medeondertekend door de gewestelijke vakbondssecretarissen indien aanwezig in het gewest (hun handtekening wordt rechtstreeks of na tussenkomst van de lokale beroepsorganisatie bekomen). Zij hebben 14 dagen de tijd om het protocol te ondertekenen of om hun weigering kenbaar te maken. Bij weigering zal er door overleg op het plaatselijke niveau getracht worden een verzoening te bereiken. Nadat alle beroepsmogelijkheden bij het plaatselijke overleg uitgeput zijn, mag de meest gerede partij het geschil voorleggen aan het verzoeningsbureau van het Paritair Comité. Het protocol van toetreding van deze regeling is geldig voor de duur van één jaar en wordt behoudend protest stilzwijgend hernieuwd.

Bovendien gebeurt op zaterdag werken altijd op vrijwillige basis. De vrijwilligheid van de arbeider moet vastgesteld worden in een schriftelijk akkoord uiterlijk op het tijdstip van de aanvang der werkzaamheden, ondertekend door de arbeider en de werkgever. Dit schriftelijk akkoord wordt bewaard op de bouwplaats.

 

KB nr. 213

 

130 uur in de week 96 uur op zaterdag + 50 uur (het plafond verhogen tot 180 uur)

 

Vakbondsafvaardiging

 

 

Akkoord van de meerderheid van de vakbondsafvaardiging

(bij gebrek aan akkoord: verzoening)

 

 

Akkoord van de meerderheid van de vakbondsafvaardiging

(bij gebrek aan akkoord:

verzoening)

 

Akkoord van de meerderheid van de

vakbondsafvaardiging

(bij gebrek aan akkoord: verzoening)

 

 

 

Geen vakbondsafvaardiging

 

 

 

Beslissing van de aannemer

Informeren van de Voorzitter van het Paritair Comité

 

 

Akkoord van de plaatselijke vakbondssecretarissen (bij gebrek aan akkoord: verzoening) + individueel akkoord van de arbeider

 

 

Akkoord van de plaatselijke vakbondssecretarissen (bij gebrek aan akkoord: verzoening)

3. Aanpassing van de uurroosters

Volgens de algemene regels moeten de uurregelingen die in de onderneming van kracht zijn, worden aangepast om 9 arbeidsuren per dag mogelijk te maken (8 uur + 1 bijkomend uur) en of prestaties op zaterdag toe te staan. Het arbeidsreglement van de onderneming wordt volgens de gewone procedure aangepast.

4. Overloon en/of inhaalrust

4.1. 20% in de week als de arbeider beslist om niet te recupereren

De overschrijding van de arbeidsduur wordt in geen enkel geval beschouwd als een "overuur". Dit bijkomende uur wordt immers bezoldigd volgens het normale loon.

Vóór het einde van de betaalperiode waarin deze uren worden gepresteerd, kiest de arbeider voor de toekenning van inhaalrustdagen of van een loontoeslag van 20 % per bijkomend uur. De werkgever moet dan ook aan de arbeider vragen om een keuze te maken (een loontoeslag of inhaalrust). De arbeider moet deze vraag beantwoorden vóór het einde van de betaalperiode waarin deze bijkomende uren worden gepresteerd. Opmerking: de werkgever dient dit niet iedere keer te vragen. Aangeraden wordt dat de werkgever schriftelijk aan de arbeider vraagt zijn keuze te bepalen. Aan de werknemer om, indien hij zijn keuze wenst te wijzigen, dat aan zijn werkgever ook schriftelijk te bevestigen. Wordt geen keuze gemaakt vóór het einde van de betaalperiode, dan worden inhaalrustdagen toegekend.

Kiest de arbeider ervoor om niet te recupereren, dan heeft hij recht op een loontoeslag van 20 %. In dat geval worden het normale loon en de toeslag betaald op het ogenblik dat de uren worden gepresteerd.

Maakt de werknemer geen keuze of kiest hij voor inhalen, dan geniet hij 1 rustdag per 8 gepresteerde bijkomende uren. Deze inhaalrust moet worden toegekend in de 6 maanden die volgen op de periode waarin elke schijf van 8 uur bereikt werd. Opmerking: zolang er geen 8 bijkomende uren te recupereren zijn, kunnen geen recuperaties worden toegekend. De recuperatietermijn mag dus niet beginnen voordat de 8 uur zijn bereikt. Zijn de 8 uur evenwel bereikt, dan begint de periode van 6 maanden te lopen waarin de recuperatie moet worden toegekend. De toekenning van de inhaalrust gebeurt in onderling overleg tussen de werkgever en de arbeider. De rustdagen moeten immers niet worden toegekend alvorens tijdelijke werkloosheid kan worden ingevoerd (essentieel verschil met de overuren).

Stel dat een arbeider uitdrukkelijk kiest voor inhaalrust maar hij neemt deze inhaalrust niet tijdig op en vraagt zijn werkgever om deze uren te betalen, dienen deze uren dan aan 100% of 120% betaald te worden? Volgens het standpunt van de Confederatie Bouw primeert in dergelijk geval de initiële keuze voor inhaalrust en moet de werkgever bijgevolg geen toeslag van 20% betalen.

 4.2. 50% op zaterdag los van het feit of de arbeider beslist te recupereren of niet

Bijkomende uren die op zaterdag worden gepresteerd, geven aanleiding tot een loontoeslag van 50%, zelfs als de normale wekelijkse arbeidsduur op weekbasis niet is overschreden. Deze toeslag is verschuldigd en staat los van de keuze om deze bijkomende uren op zaterdag al dan niet in te halen.

Zij geven ook aanleiding tot inhaalrust voor zover de arbeider ervoor kiest om ze te recupereren. Kiest de arbeider ervoor ze niet in te halen, dan worden het normale loon en de toeslag betaald op het ogenblik waarop de bijkomende uren worden gepresteerd. Kiest hij ervoor ze in te halen, dan wordt de loontoeslag betaald op het ogenblik waarop de bijkomende uren werden gepresteerd en het normale loon wordt dan uitgesteld tot op het moment van de recuperatie.

5. Fiscaal voordeel voor zowel werkgever en werknemer

Onder bepaalde voorwaarden genieten zowel werkgever en werknemer een fiscaal voordeel voor overuren waarvoor overloon of de bovenvermelde toeslag van 20 procent wordt toegekend.

Meer informatie vindt u in onderdeel 20 van onze intersectorale documentatie: http://intranet.groups.local/intra_30172.htm

 

6. Cumulatieregels

 

De reglementering van de bijkomende uren houdt rekening met de bijzondere kenmerken van de bouwsector, die meer dan andere sectoren onderworpen is aan de weersomstandigheden en aan de seizoenschommelingen in de bestellingen van werken. Ze stelt de ondernemingen in staat om de uurregelingen en dus de productietijd aan te passen aan de behoeften van de klanten. Dankzij deze reglementering kan het beroep op overuren worden beperkt. Ze verbiedt de ondernemingen natuurlijk niet een beroep te doen op overuren wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen (voorgekomen of dreigend ongeval, onvoorziene noodzakelijkheid, buitengewone vermeerdering van werk, ...).

De regelingen van KB nr. 213, zowel wat betreft de ‘klassieke’ bijkomende uren als wat betreft het zaterdagwerk, vormen een afwijking op de normale wettelijke regeling betreffende de overschrijding van de arbeidsduurgrenzen. Dit betekent dat, net als de ‘klassieke’ uren KB 213, ook de uren op zaterdag niet meegerekend moeten worden om het aantal te betalen en te recupereren normale overuren te bepalen. De prestaties die in toepassing van KB 213 op zaterdag worden geleverd, geven dus enkel recht op de toeslag van 50% zoals bepaald in het KB 213. De toeslag voor overwerk wegens overschrijding van de 40u moet dus niet nog eens bijkomend worden toegekend.

De nieuwe regeling zaterdagwerk van KB 213 kan gecumuleerd worden met de ‘klassieke’ uren KB 213. Men kan dus perfect in de loop van de week tot 9u per dag presteren door toepassing van het ‘klassieke’ bijkomend uur KB 213 en op zaterdag nog eens een aantal uren presteren in toepassing van de regeling zaterdagwerk van KB 213. Wel moet het aantal uren dat op een zaterdag in toepassing van KB 213 kan gepresteerd worden gelimiteerd blijven tot de normale arbeidsregeling van 8 uur. Ook nog eens een 9e uur presteren op zaterdag is niet mogelijk in toepassing van de nieuwe regeling zaterdagwerk.

Conclusie: in het kader van KB nr. 213 is het mogelijk om én tijdens de weekdagen een 9de uur te laten presteren én op zaterdag 8u te laten presteren zonder dat er een toeslag voor overloon verschuldigd is wegens de prestatie van overuren. Enkel de in het KB nr. 213 voorziene toeslagen voor de prestatie van bijkomende uren zullen verschuldigd zijn.

Toch vertoont het sectorale stelsel van de bijkomende uren (KB nr. 213) kenmerken die de mogelijkheden om met de algemene regeling van de overuren te cumuleren een beetje zullen beperken.

In het licht van de belangrijkste kenmerken van beide regelingen staan hieronder de gevolgen van dit cumuleren:

Keuze om niet te recupereren :

Per kalenderjaar kan de arbeider kiezen om 180 uur niet te recupereren. Boven die 180 uur heeft de arbeider geen vrije keuze meer, wat ook de toegepaste regeling is. Hij moet inhaalrust nemen overeenkomstig de principes.

Een CAO van 1 juli 2011 wijzigt met ingang van 1 januari 2011 de CAO van 29 september 2005 op het vlak van de mogelijkheid voor de arbeider om sommige overuren niet te recupereren :

  • de onderneming overschrijdt de arbeidsduur enkel in het kader van de overuren (artikel 25 en 26 van de arbeidswet van 16 maart 1971) ⇒ de arbeider kan ervoor kiezen om een maximum van 130 uur per jaar niet te recupereren;
  • de onderneming overschrijdt de arbeidsduur enkel in het kader van bijkomende uren in de bouw (KB nr. 213) ⇒ de arbeider kan ervoor kiezen om een maximum van 180 uur per jaar niet te recupereren;
  • de onderneming overschrijdt de arbeidsduur zowel in het kader van bijkomende uren in de bouw (KB nr. 213) als in het kader van de overuren (artikel 25 en 26 van de arbeidswet van 16 maart 1971) ⇒ de arbeider kan ervoor kiezen om een maximum van 180 uur (vroeger 130 uur) per jaar niet te recupereren.

Loontoeslagen :

Wanneer de omstandigheden het cumuleren van verschillende overschrijdingen van de normale arbeidsduur teweegbrengen, wordt de weekgrens waarboven overloon moet betaald worden voor overuren verhoogd.

Reden :

KB 213 kan worden gebruikt tijdens de zomerperiode of in een periode van intense activiteit. De reden "intense activiteit" is verwant aan de "buitengewone vermeerdering van werk". Deze laatste reden is dan ook niet cumuleerbaar voor dezelfde arbeidsdag.

7. Schorsing van de opzeggingstermijn

Volgens een standpunt van de Confederatie Bouw schorsen inhaalrustdagen waarvoor de werknemer kiest ingevolge de prestatie van bijkomende uren in het kader van KB 213 de opzeggingstermijn niet.

 

 


Historiek
20/01/2022 31/12/2050 070202 Bijkomende uren tijdens de zomer of een periode van intense activiteit (KB nr. 213)
27/04/2015 19/01/2022 070202 Bijkomende uren tijdens de zomer of een periode van intense activiteit (KB nr. 213)
20/05/2010 31/12/2010 070202 Toekenning van kredieten te presteren tijdens de zomer of een periode van intense activiteit
01/01/2009 19/05/2010 070202 Toekenning van kredieten te presteren tijdens de zomer of een periode van intense activiteit
26/06/2008 31/12/2008 070202 Toekenning van kredieten te presteren tijdens de zomer of een periode van intense activiteit
01/01/2006 24/06/2008 070202 Toekenning van kredieten te presteren tijdens de zomer of een periode van intense activiteit
25/07/2004 31/12/2005 070202 Toekenning van kredieten te presteren tijdens de zomer of een periode van intense activiteit
28/11/1985 24/07/2004 070202 Toekenning van kredieten te presteren tijdens de zomer of een periode van intense activiteit
Terug